|
10-02 Verhalen over de Nederlandse taal
Het verhaal dat
steeds doorgaat
Door Henk Jongsma, auteur Op niveau tweede fase

Kun je boeiende verhalen over een taal vertellen?
Nou, Nicolien van der Sijs en Roland Willemijns kunnen dat zeker. In hun prachtig uitgegeven boek Het verhaal van het Nederlands vertellen zij in 14 hoofdstukken 14 boeiende verhalen over het Nederlands, waarbij ze meteen in het voorwoord al zeggen dat het Nederlands niet bestaat.
Dat lijkt paradoxaal, een boek schrijven over wat niet bestaat. Maar het blijkt juist de kern: juist omdat hét Nederlands niet bestaat, is er zoveel over te vertellen.
En dat blijkt al meteen in het eerste hoofdstuk: De grenzen van het Nederlands.
Die grenzen met het Duits, het Fries en het Frans waren en zijn helemaal niet zo scherp (al lijkt misschien de Nederlands-Franse grens in België strak getrokken) en die grenzen zijn bovendien nogal eens verschoven en zullen dus ook blijven verschuiven.
In de volgende hoofdstukken wordt duidelijk dat er binnen die ‘grenzen’ ook nog weer eens vele varianten zijn. Natuurlijk wordt er aandacht besteed aan de streektalen, aan het gebruik en vooral ook aan het verdwijnen daarvan. Mooi is deze conclusie: ‘Uit de gecombineerde en vaak tegenstrijdige werking van deze twee tendensen (status enerzijds en solidariteit met de eigen groep anderzijds) ontstaan de dikwijls onbewuste opvattingen die de houding tegenover standaardtaal en dialect bepalen’.
Veel aandacht gaat uit naar de verschillen tussen ‘het algemeen Nederlands’ in Nederland en in België. Uit een onderzoekje blijkt dat die verschillen zeker niet door het onderwijs zullen verdwijnen: 77 procent van de Vlaamse leraren spreekt zelden of nooit Nederlanders, 75 procent van de Nederlandse leraren heeft geen contact met Vlamingen. Bijna 90 procent van de Vlaamse leraren luistert nooit naar de Nederlandse radio, bijna 80 procent van de Nederlandse collega’s luistert nooit naar de Vlaamse zenders. Geen wonder dat in beide landen televisieprogramma’s uit het buurland (met dezelfde taal!) moeten worden ondertiteld.
Variatie is er natuurlijk ook door de groepstalen (‘Van Bargoens tot de taale Kanaäns’) en door de invloeden van de talen en taalgewoonten die de migranten meebrengen. Die laatste ontwikkeling wordt wel genoemd, maar niet uitvoerig besproken. Wel wordt in het laatste hoofdstuk een mooie constatering gedaan over gesproken en geschreven taal: de positie van het Standaardnederlands is in de geschreven taal nog nooit zo sterk geweest als nu, en het lijkt alsof de variatie in het gesproken Nederlands nog nooit zo groot is geweest als nu.
Natuurlijk komt in dit boek de taalgeschiedenis uitgebreid aan de orde (in de hoofdstukken 7 tot 13), maar de schrijvers beginnen terecht met de vraag: wat is Nederlands? Een interessant aspect van die vraag betreft ook de positie van de leenwoorden. Natuurlijk hebben wij veel woorden geleend (wie een etymologisch woordenboek doorbladert kan zelfs de indruk krijgen dat we bijna alles geleend hebben), maar de meeste van die woorden ‘vernederlandsen’, zijn dus eigenlijk geen leenwoord meer. Maar omgekeerd hebben wij weer veel woorden uitgeleend, veel meer dan we op het eerste gezicht denken: ‘Ontembaar, bakboord en klapschaats’ heet het hoofdstuk dat aan de uitleenwoorden is gewijd.
Een interessant hoofdstuk is ook dat over het Nederlands ‘in den vreemde’, dat gaat over bijvoorbeeld Berbice Nederlands, Skepi Nederlands en Negerhollands (alle drie niet meer in gebruik), Javindo en Petjok (in hun nadagen), maar ook over ‘Leeg Duits’ en ‘Yankee Dutch’’, en natuurlijk over Sranantongo en Afrikaans.
Kortom: een rijk en boeiend boek, rijk geïllustreerd, met afbeeldingen en met voorbeelden. Interessante kaderteksten ook. Je blijft bladeren, en wie bladert blijft doorlezen. En voor wie dan nog meer wil weten: de literatuurlijst telt 22 pagina’s!
Nicoline van der Sijs en Roland Willemijns: Het verhaal van het Nederlands. Een geschiedenis van twaalf eeuwen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam, 2009.
ISBN 978 90 351 3282 5
Printversie van deze recensie
|