|
09-10 Groeten in Nederland en Vlaanderen

Het dialectenboek 10
Moi, adieë en salut
Groeten in Nederland en Vlaanderen
Veronique de Tier, Jos Swanenberg, Ton van de Wijngaard
Uitgave Stichting Nederlandse Dialecten, Groesbeek 2009.
ISBN 978-90-73869-10-3
Groeten in Nederland en Vlaanderen
Af en toe bezoek ik, altijd op afspraak, een oudere dame. Als ze dan de deur opent, is haar reactie heel vaak: ‘O, ben jij het’. Ik vond dat altijd vreemd: natuurlijk ben ik het, ik had toch gebeld? En vreemd vond ik ook dat ze me niet begroette. Maar niet voor niets heb ik in de beide laatste zinnen de verleden tijd gebruikt. Want sinds ik Moi, adieë en salut heb gelezen, weet ik dat haar reactie juist een groet is! In dat boek noemt Siemon Reeker dat een ‘lachwekkend entreetje’, door Groningse kluchtschrijvers gebruikt als antwoord op een openingsgroet. Weer wat geleerd dus.
Uit dit boek blijkt maar weer eens hoe ingewikkeld en hoe interessant groeten eigenlijk is. De groet moet voldoen aan (onuitgesproken) sociale codes. Bekenden groet je anders dan onbekenden, ouderen groet je anders dan jongeren, mensen ‘van stand’ worden weer anders begroet, enz. Maar je ziet wel, als je de beschrijvingen van de verschillende streken doorneemt, dat er sprake is van een zekere veralgemening: de sociale verschillen worden minder, hoewel er wel steeds onderscheid wordt gemaakt tussen meer of minder formeel. Voor die beschrijvingen is gebruik gemaakt van de resultaten van een dialectenquête. En dan blijkt toch wel dat oudere respondenten meer sociaal onderscheid maken dan jongere. Het zou een interessant onderzoekje in de klas kunnen zijn: tegen wie zeg je da(a)g, tegen wie hoi, tegen wie hallo, tegen wie ….
Overigens, aan de begroetingen van jongeren onderling en de grote variatie die daarin bestaat wordt in dit boek (bijna) geen aandacht besteed. Misschien ook eens iets om in de klas te inventariseren?
Interessant is ook een waarneming van Jan Stroop in het inleidende en samenvattende eerste hoofdstuk: ‘De groetsituatie heeft een hoof papegaaigehalte’. Wie het eerst groet bepaalt in negen van de tien gevallen wat de ander zal antwoorden. Ook aardig om eens te controleren.
In datzelfde hoofdstuk laat Stroop zien hoe ‘nieuwe’ groeten in het taalgebruik oprukken. In 1973 werd ‘doei’ nog niet gebruikt , ‘doeg’ kwam een paar keer voor, in Noord-Nederland. In 2008 blijken ‘doei’ en ‘doeg’ zich over heel Nederland en, iets minder, ook over heel Vlaanderen te hebben verspreid. Pieter Breuker, in zijn beschrijving van de groeten in het Fries, constateert terecht: je ziet de taal in beweging.
Naast groeten komen in de diverse beschrijvingen ook dankwoorden en (heil)wensen en verontschuldigingen aan bod. En ook daar blijkt de variatie groot.
Interessant zijn ook constateringen van wat in een bepaalde regio niet wordt gezegd. Philoméne Bloemhoff bijvoorbeeld vertelt dat Twentenaren als afscheidswoord niet ‘tot ziens’ of ‘tot kijk’ noemen, maar dat wel veel ‘goodgoan’ wordt gebruikt. En in Limburg wordt in plaats van ‘de groeten’ veel ‘de komplemente’ gebruikt.
Enzovoort. Want het blijkt al gauw dat elke streek zijn eigenaardigheden kent. Over grote steden wordt in deze bundel vrijwel niets gezegd. En toch zou het interessant zijn om eens uit te zoeken hoe daar de verschillen zijn tussen wijken of tussen bevolkingsgroepen.
En hoe zit het eigenlijk met de groetgewoonten bij mailen en chatten? Ook een onderzoekje waard, lijkt mij. De veranderingen zullen daar vast nog sneller gaan dan in de streektalen.
Een interessant boek dus, dit tiende dialectenboek. Interessant om wat het biedt, maar ook interessant om wat het niet biedt, maar juist in de school goed onderzocht zou kunnen worden. Taalonderzoek en taalbeschouwing in de praktijk. Dit boek is een mooi uitgangspunt, niet in de laatste plaats door de uitgebreide literatuurlijst en het uitstekende register.
|