|
09-06 Een kleine taal met een grote stem
|
Een kleine taal met een grote stem.
Hedendaags Nederlands.
Piet van Sterkenburg
Uitgeverij Scriptum, Schiedam, 2009
ISBN 978 90 5594 657 0
|

|
Een veranderende taal die onderhouden moet worden
Piet van Sterkenburg was jarenlang directeur van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie (INL) en o.a. hoofdredacteur van de ‘Van Dale’, het Groot Woordenboek van de Nederlandse Taal. En in die functie heeft hij jarenlang de ontwikkelingen in onze taal moeten bijhouden en beoordelen. Mijn hele leven ben ik ‘een lakei van het woord geweest’, zegt hij zelf in het voorwoord van het boek dat hij nu na zijn pensionering schreef: Een kleine taal met een grote stem. Hedendaags Nederlands.
Dat hij een man van woorden is, blijkt duidelijk. Hij begint bij de thuistaal waarmee hij opgroeide, en dan blijkt dat hij al heel jong werd geconfronteerd met taalvariatie: vader en moeder spraken verschillende dialectvarianten, en bij zijn grootouders hoorde hij nog weer andere varianten. En omdat het gezin een aantal keren verhuisde (van Brabant naar Zeeland en Overijssel) ontmoette hij steeds meer variatie. In de gesproken taal, want uit zijn boek blijkt dat de norm voor gesproken taal altijd veel ruimer is geweest dan voor de schrijftaal. Nederlands, zegt Van Sterkenburg, is ‘de optelsom van standaardtaal, stadstalen, straattaal, streektalen, groepstalen, dialecten, de taal van jongeren, van immigranten, van Vlamingen, Surinamers en Antillianen’.
En een van die soorten Nederlands hebben we ooit gepromoveerd tot standaardtaal. Maar, zegt Van Sterkenburg, ‘de standaardtaal laat zich niet snoeren in het keurslijf van een onwankelbare norm omdat zijn ontwikkeling net zo vluchtig is als ether en zijn grenzen regelmatig verlegd worden, niet door taalgeleerden, maar door de moedertaalsprekers zelf’. Mooi beschrijft hij hoe toen er behoefte aan een spreektaalnorm kwam, de schrijftaal als model werd gekozen ‘met alle gevolgen van dien’. Met die rigide norm is sinds de jaren zestig gebroken, o.a. door het niet meer afkeuren van een licht dialectisch accent, en daardoor haalt nu ongeveer 80 procent van de sprekers de norm van de gesproken standaard. Maar, zegt hij, met de neerlandicus Ben van der Have, er is nog heel veel van de oude schrijftaalduivel over. ‘Die duivel waart rond in de gedaante van een betweter, regelneef en ingezondenstukkenschrijver. En altijd probeert hij dingen die in de Nederlandse spreektaal doodnormaal zijn te verbieden, tegen te houden en af te schilderen als onbeschaafd en teken van verval.’
Van Sterkenburg noemt zichzelf een ‘warm pleitbezorger van onze standaardtaal’, en juist daarom geeft hij in zijn boek een prachtig overzicht van taalvariaties: dialecten, regiolecten, stadsdialecten, groepstalen, alles wordt met duidelijke voorbeelden (en prachtige illustraties) toegelicht. Want taal is dynamisch, en ook de standaardtaal is aan die dynamiek onderhevig.
In dit prachtig uitgegeven boek, vol anekdotes, persoonlijke belevenissen en ervaringen, laat Van Sterkenburg zien dat onze taal verandert, welke maatschappelijke ontwikkelingen daarin een rol spelen, hoe snel het soms gaat en ook hoe vluchtig sommige veranderingen zijn. En natuurlijk ligt het accent vaak op de veranderingen in de woordvoorraad.
Al die veranderingen zijn juist een bewijs van de vitaliteit en de kracht van de taal. Van die vitaliteit geeft Van Sterkenburg prachtige en overtuigende voorbeelden. Het Nederlands zou langzaam verengelsen? Nee, zegt hij, voor veel Engelse leenwoorden worden al snel Nederlandse equivalenten gevonden en in veel gevallen verdwijnt het Engelse woord dan weer langzaam (attachment, bijvoorbeeld). Maar de vitaliteit blijkt nog sterker uit het feit dat we die ‘vreemde’ woorden allemaal aanpassen aan ons taalsysteem: ze krijgen ‘onze’ uitspraak en gehoorzamen aan ‘onze’ regels van vervoeging, verbuiging en woordvorming.
Het is duidelijk, Van Sterkenburg denkt optimistisch over deze ontwikkelingen. Maar zorgen heeft hij ook. Nederland en Vlaanderen zouden uit elkaar kunnen groeien (op televisie is al ondertiteling nodig voor programma’s die ze van elkaar overnemen), maar hij geeft ook de remedie: de overheid moet eisen stellen aan het moedertaalonderwijs en hij meent op dat punt al een kentering te zien: ‘Het heeft er veel van weg dat er weer een tijdperk aanbreekt dat normen en het handhaven ervan mogen’.
Maar die normhandhavers hebben dan wel de ruime blik van deze neerlandicus nodig en het besef dat taal steeds aan verandering onderhevig moet zijn, om levend te blijven. Voor die ruime blik is dit boek een overtuigend pleidooi. Lezen dus, en herlezen.
|