10/06 Woorden kwijt

Een alledaags wonder

door Henk Jongsma, hoofdauteur Nieuw Topniveau

We staan er natuurlijk niet altijd bij stil, maar een wonder is het wel: als we praten produceren wij zeven woorden per seconde! Per seconde, ja. En dat kost ons ogenschijnlijk geen enkele moeite, nou ja, af en toe haperen we eens een keer, dan kunnen we even niet op een woord komen: ach kom, hoe heet het ook al weer?En al die woorden zetten we dan ook nog eens een keer zo op een rij dat er mooie zinnen van komen, zinnen die gemaakt worden volgens de afspraken die we daarvoor in het Nederlands hebben. Waar halen we het allemaal vandaan.

Nou ja, we hebben er natuurlijk wel moeite voor moeten doen om die taal te leren. Hoewel, moeite? Het lijkt wel alsof kleine kinderen de taal bijna spelenderwijs leren. Ze beginnen met brabbelzinnetjes, dan komen er echte woordjes, korte zinnetjes, langere zinnetjes en op een gegeven moment zijn ze zover dat ze zelf verhaaltjes gaan vertellen. Ja, eerst nog met foutjes (het roos en de boek, ik loopte), maar dat duurt ook maar even, dan beheersen ze de taal.

Gelukkig maar, want hoe zouden we kunnen leven zonder die taal?De vader van de taalkundige Liesbeth Koenen raakt plotseling zijn taal kwijt, als hij een herseninfarct krijgt. ‘Kan hij praten?’ is haar eerste vraag als ze het nieuws van dat infarct hoort. ‘Nee’. Een dreun, want dat is het ergste wat ze zich voor kan stellen: afasie. Niet kunnen praten…

In haar boekje Hoe mijn vader zijn woorden terugvond vertelt ze hoe haar vader langzaam, stap voor stap, met veel hulp, weer greep op zijn taal krijgt. Want de taal is niet weg, haar vader begrijpt wat anderen zeggen of vragen, hij kan lezen en begrijpt wat hij leest, hij kan alleen niet bij zijn woorden.

Over dat proces, het terugvinden van zijn woorden, heeft Liesbeth Koenen een prachtig boekje geschreven. Ontroerend soms, als ze vertelt hoe hulpeloos haar vader zich soms voelt als hij niet duidelijk kan maken wat hij wil zeggen en hoe hulpeloos zij zich voelt als ze wil helpen maar ondanks al haar kennis van de taalkunde niet kan helpen. Komisch soms, als de vader het woord dat hij zocht niet kan vinden, maar zich er wel uitredt. ‘Zoals gisteren, toen de zon achter de wolken verdween en Treesje, die voortdurend met hem oefent, zei: ‘de zon is …’ in de hoop dat hij ‘weg’ zou aanvullen. In plaats daarvan produceerde mijn vader na wat zoeken een lachend ‘… pleite’.

En interessant. Want de dochter ziet nu in de praktijk ineens van alles wat ze ooit in theorie heeft bestudeerd en doordat ze die kennis tussen haar verslag door weeft krijgen wij ook een hele hoop kennis van de taalkunde mee. Een voorbeeld: ‘Mijn vader gebruikt almaar ‘mij’ en ‘zij’, niet de onbenadrukte vormen ‘me’ en ‘ze’. En ook daar slaat hij soms in door. Die woordjes zijn namelijk niet altijd zomaar inwisselbaar. ‘Ik heb de sleutels bij mij’ hoor ik hem zeggen, terwijl ‘bij me’ gewoner zou klinken. Maar over een echtpaar dat van hem niet langs hoeft te komen zegt hij: ‘Ik hoef zij niet te zien’. Ik registreer de fout onmiddellijk, want hier komt een vleugje heuse grammatica om de hoek kijken. ‘Zij’ kan namelijk nooit iets anders zijn dan het onderwerp van een zin, en mijn vader heeft er ineens een lijdend voorwerp van gemaakt.’

Daar heb je nu zo’n regel die wij allemaal zonder nadenken toepassen, een regel die we waarschijnlijk niet eens kennen maar ‘gewoon’ als kind hebben geleerd. Je zult al die woorden en al die regels maar kwijt zijn …

In dit vlot en heel menselijk geschreven boekje ontdek je hoe verschrikkelijk ingewikkeld de taal is die wij elke dag maar weer (zeven woorden per seconde!) gebruiken en hoe gehandicapt we zijn als we die taal kwijt zijn.Helaas is er een storende fout gemaakt in het onderschrift bij de illustratie op pagina 62. Op www.nieuwamsterdam.nl vind je de juiste tekst.

Liesbeth Koenen: Hoe mijn vader zijn woorden terugvond.
Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2006.
ISBN 90 468 0068 7